Inlaatklep

Via inlaatklep kan een door een leiding naar binnen stromende vloeistof of lucht worden doorgelaten, maar ook worden tegengehouden.
De inlaatklep bevindt zich naast of tegenover de uitlaatklep in de cilinderkop. Via het inlaatspruitstuk wordt vers brandstofluchtmengsel langs de inlaatklep naar de verbrandingsruimte gevoerd. In gesloten toestand vormt de inlaatklep dus de afscheiding tussen het inlaatspruitstuk en de verbrandingsruimte. De nokkenas opent de inlaatklep al vóór het begin van de inlaatslag. Zo kan vers brandstofluchtmengsel naar binnen stromen. De inlaatklep sluit aan het begin van de compressieslag.

Eventuele defecten
1] Een klep kan fout zijn afgesteld.
2] Een klep kan lekken en op den duur verbranden, doordat
- de klepgeleider is versleten of
- hij op de klepgeleider is ingeslagen.
3] Een klep kan verbranden als gevolg van te hoge verbrandingstemperaturen.
4] Een klep kan krom zijn, als hij met een zuiger in aanraking is gekomen.